Column Kees Verhoeven

Directeur MKB-Amsterdam

Liever effectief beleid dan grote projecten                      7 januari 2009

Zonder levendige middenklasse is Amsterdam geen topstad

(gepubliceerd in Het Financieele Dagblad d.d. 6 januari 2009)

In zijn nieuwjaarstoespraak brak Job Cohen een lans voor de 'grote projecten' van Amsterdam. Hij vertrouwt op hun meerwaarde ondanks de risico's die er met kredietcrisis en recessietij niet minder op worden. De burgemeester wijdde geen woorden aan de toenemende tweedeling en verdunning van de Amsterdamse middenklasse. Maar juist deze dreiging moet het stadsbestuur in 2009 afwenden. Daar is meer voor nodig dan het managen van grote projecten, namelijk effectief beleid maken.
 
Niet alleen de Noord-Zuidlijn wierp afgelopen jaar een schaduw over Amsterdam. Ook de ontwikkeling van de Zuidas als internationale toplocatie en het opschonen van de Wallen (project 1012) deden de stad naar adem happen. Hun doel is om Amsterdam te lanceren op de Europese stedenranglijsten, zoals ook het beleidsprogramma Amsterdam Topstad beoogt. Echter, als gebiedsbeperkte exponenten van top-down beleid gaan deze urbane iconen aan velen voorbij. Daarbij hebben de gebeurtenissen in 2008 hun schaduwzijden belicht. Zo gaat de businesscase Zuidas uit van 1,2 miljoen vierkante meter nieuwe kantoorruimte. Een zeer conjunctuurgevoelige hoeveelheid. Ook het (politieke) draagvlak voor de kwaliteitsimpuls van het Wallengebied is dun. Door de rosse buurt op morele gronden te transformeren naar meer van hetzelfde (horeca, kunst, winkels) dreigt een binnenstedelijke monocultuur.
 
Dat Burgemeester en Wethouders bij tegenwind koersvast blijven, is verstandig. Een eenzijdige aanpak is dat niet. Te meer omdat grote projecten geen middel zijn tegen de groeiende tweedeling. Evenmin keren ze het krimpen van de middenklasse, zonder welke geen topstad kan bestaan; dit ‘grootstedelijk cement’ voorkomt namelijk bipolariteit van enkel arm (sociale huur) en rijk (dure koop). Zo blijft een stad herkenbaar en aantrekkelijk voor haar uiteenlopende bewoners, bedrijven en bezoekers.
 
Vooralsnog beschikt Amsterdam over zo’n middenklasse. Geografisch geconcentreerd in de ‘tweede stadsring’ van Westerpark tot Watergraafsmeer. Maar juist in deze kleurrijke stadswijken staan bewoners en ondernemers onder druk van neerwaartse omgevingskwaliteit en toenemende vestigingskosten zoals oplopende parkeertarieven en stijgende huurprijzen. Dit zet niet alleen de gevestigde groepen onder druk, het werpt tevens een drempel op voor potentiële nieuwkomers.
 
Juist in deze crisistijd moet de middenklasse als ruggengraat voor Amsterdam behouden blijven. Dat vereist beleid dat complementair is aan het dominante karakter van de grote projecten. De volgende drie eigenschappen maken zulk beleid effectief: 
  • De basis op orde; zonder goed fundament geen topniveau. Basale zaken als schoon, heel, veilig en bereikbaar lijken voor de handliggend, maar zijn op veel stadslocaties juist buiten handbereik. Een nieuwe metrolijn is mooi, maar laat dan ook de trams na half één ’s nachts doorrijden.
  • Een gelijk speelveld; scheve (concurrentie)verhoudingen tussen gebieden of sectoren werken demotiverend. Van gemeentelijk aanbestedingsbeleid tot zondagopenstelling moet het bieden van gelijke kansen centraal staan. Dus ongeacht bedrijfstak, omvang of locatie.
  • Werken van onderaf; initiatieven vanuit de lokale gemeenschap leiden tot maatwerk. In plaats van bureaucratie verdienen ze een impuls. De door ouders gewenste Techasiumschool (een techniekopleiding voor vwo-ers) of de innovatieve DNA-spray tegen overvalproblematiek zijn voorbeelden van hanteerbare projecten met een grote impact.

Op deze manier toont Amsterdam in het alom gevreesde ‘annus horribilis’ 2009 het karakter van een ware topstad.
 
Kees Verhoeven
7 januari 2009