Column Kees Verhoeven

Directeur MKB-Amsterdam                                                                  4 januari 2010

Schat het mkb op maatschappelijke waarde; het is tijd voor nieuwe coalities en concrete initiatieven  
gepubliceerd in het FD van 19 december 2009
 
Ook al lijkt de economische crisis op zijn retour, hij heeft onomstotelijk bewezen dat het grootbedrijf alleen geen economie kan dragen. Vandaar dat het midden- en kleinbedrijf (bedrijven tot 250 medewerkers of tot € 50 miljoen jaaromzet) deze dagen weer wordt geroemd als ‘motor van de economie’. Maar ook omdat meer structurele crises (klimaat, energie, voedsel, water) dwingen tot een nieuwe wereldorde op menselijke maat, ligt de grootste meerwaarde van het mkb juist op maatschappelijk vlak.
 
Dit sociale surplus voor de samenleving manifesteert zich op verschillende manieren. Zo zorgen aanwezige buurtbedrijven voor multifunctionele wijken waarin diverse mensen naast wonen ook kunnen werken, ontmoeten en beleven. Volgens een uit 1961 daterend maar nog altijd actueel standaardwerk van stadsactiviste Jane Jacobs leidt kleinschalige functiemenging niet alleen tot zingeving en cohesie maar ook tot synergie, productiviteit en innovatie. Een ander voordeel van kleinschalige bedrijven is dat hun klantcontacten niet via callcentra en keuzemenu’s verlopen, maar langs korte lijnen met directe aanspreekbaarheid. Dit vermindert het gevoel van anonimiteit en daarmee de machteloosheid die veel mensen ervaren. Misschien wel het belangrijkst is dat het collectief van werkgevers en werknemers in het mkb de maatschappelijke middenklasse van ons land gestalte geeft.  Omdat inkomensongelijkheid volgens een studie van Wilkinson en Picket ten koste gaat van stabiliteit en samenhang, vormt het behoud van de huishoudens met een inkomen tussen één en twee maal modaal een buffer tegen de stijgende sociale (en geografische) tweedeling in onze steden en regio’s.
 
Paradoxaal genoeg gaat deze grote maatschappelijke meerwaarde van kleinere ondernemingen gepaard met een kwetsbare marktpositie: het mkb is niet alleen de grootste werkgever van het land, maar ook die met de grootste uitdaging. Allereerst is het steeds lastiger concurreren tegen de schaalvoordelen (marktmacht) van grootschalige dienstverleners en producenten. Tegelijkertijd stelt onze complicerende samenleving hoge eisen in de vorm van specifieke wet- en regelgeving of het gevraagde aandeel in de sociale zekerheid. Ten tweede vormt de beperkte beschikbaarheid over specialistische kennis en financiële reserves (inclusief door de crisis veroorzaakte liquiditeitsproblemen) een barrière bij het investeren in moderne bedrijfsvoering , innovatie of duurzaamheid. Ten derde brokkelt het Nederlandse cultuur- en natuurlandschap af ten gunste van nieuwe winkelcentra, bedrijventerreinen en kantorengebieden terwijl bestaande locaties even verderop wegglijden in vergetelheid. Daarbij zijn lokaal georiënteerde bedrijfjes gevoeliger voor omstandigheden in de directe omgeving zoals een verschralende openbare ruimte, opgebroken straten en de leegstand van nabijgelegen panden.
 
Natuurlijk, bepaalde verhoudingen zijn nu eenmaal onvermijdelijk en verbetering van positie is primair eigenverantwoordelijkheid. Maar dit neemt niet weg dat vastgeroeste weeffouten opgeteld leiden tot een oneigenlijk ‘ondernemersrisico‘ dat bedrijven ervan weerhoudt te ontstaan of voort te bestaan. Een in het oog springende illustratie is dat steeds meer ondernemers tegenwoordig liever vanuit huis en zonder personeel opereren (zzp-ers) en dat werknemers zich liever laten inhuren dan in dienst treden (flexwerkers).
 
Dat dreigende economische uitholling van het mkb geen recht doet aan haar maatschappelijke belang, daar is iedereen het over eens. Maar het is nu wel zaak dat vooraanstaande maatschappelijke partijen de daad bij het woord gaan voegen.
 
Hiervoor zijn de aankomende gemeenteraadsverkiezingen het eerste ijkpunt. Want dat het mkb valt of staat met de keuzes van lokale overheden bewijst het nationale Krachtwijkenbeleid eens te meer: terwijl het opknappen van ‘het vuile werk’ in achterstandsgebieden topprioriteit is van de huidige regering, blijven lokale wethouders voorrang geven aan grootschalige projecten in ‘de vitale delen’ van hun stad. Dat de wijkaanpak in steden als Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Arnhem tot weinig tastbare resultaten heeft geleid, komt door de eenzijdige focus op vermeende groei-iconen als de Zuidas, de tweede Zeesluis, de tweede Maasvlakte en de herontwikkeling van stationsgebieden.
 
Maar alleen een koerswijziging van gemeenten is onvoldoende. Daarnaast moeten zich nieuwe maatschappelijke coalities vormen die concrete initiatieven nemen. Dit vereist een nieuwe manier van samenwerken: geen publiekprivate platforms als vehikels van het eigenbelang maar doelgerichte verbonden van betrokkenen die zich in elkaars situatie verplaatsen. Ter inspiratie noem ik een aantal voorbeelden, afgeleid uit de Vijftien Vooruitstrevende Voorstellen die wij onlangs hebben gelanceerd:
 
Laat projectontwikkelaars en vastgoedeigenaren als banken en corporaties bestaande gebouwen revitaliseren door deze tegen omzetgerelateerde huur beschikbaar te stellen aan nieuwe gebruikers. Laat (semi-)publieke instanties helpen om investeringsdrempels te slechten door hun subsidies of marktopdrachten aan te bieden tegen doelgerichte eisen in plaats van schaalgerichte criteria. Laat organisaties als de Belastingdienst, Waterschappen en Kamers van Koophandel hun heffingen jaarlijks op één transparante totaalfactuur zetten. En laat winkels, horecabedrijven en poppodia voortaan vrij om te bepalen wanneer ze open zijn. Dit zodat ze hun bezoekers optimaal kunnen bedienen zonder de bewoners tot last te zijn.
 
Op deze manier ontstaat een nieuw economisch speelveld dat ondernemers, werknemers en werkgevers in het mkb de ruimte biedt om optimaal te functioneren. De winst die dit oplevert, is van onschatbare maatschappelijke waarde.