Column Ea Visser                                             februari 2010


Ontslag zonder vergoeding: 2010 een werkgeversvriendelijk jaar?
 
Het heeft er alle schijn van dat werkgevers 2010 vrolijk tegemoet kunnen zien, tenminste daar waar het gaat om ontwikkelingen in het ontslagrecht. Vorig jaar was de kantonrechtersformule al versoberd. Recente rechtspraak heeft nu laten zien dat er een werkgeversvriendelijke wind waait in ontslagland.
 
Een jaar of 15 geleden kon je het als werkgever vaak maar beter niet zover laten komen dat je een zaak moest voorleggen aan de rechter. De bescherming van werknemers ging zo ver dat de gedachte leefde dat je als werkgever bij het binnenkomen van de zittingszaal al per definitie 1-0 achter stond. Het kantongerecht in Amsterdam stond onder advocaten bekend als rood socialistisch bolwerk. Men deed zijn uiterste best van tevoren uit te vinden welke kantonrechter de zaak zou gaan behandelen, waarbij collega’s meer dan eens moesten worden getroost omdat dit rechter X (ook wel bekend om het feit dat werkgevers en diens gemachtigden überhaupt tijdens de zitting niets mochten zeggen) bleek te zijn.
 
De verhouding tussen werkgever en werknemer is sindsdien gelijkwaardiger geworden. Kantonrechters hebben gezorgd voor meer uniformiteit door een richtlijn te hanteren voor ontslagvergoedingen. Deze kantonrechtersformule is zo bekend geworden dat menig werknemer altijd recht meent te hebben op een vergoeding. Dat dit recht helemaal niet bestaat, blijkt uit recente uitspraken van de Hoge Raad.
 
Van belang is daarbij het volgende. Ons ontslagstelsel kent voor werkgevers in principe twee wegen. De eerste weg is ontslag via de kantonrechter en de tweede weg de ontslagvergunning via het UWV WERKbedrijf. Wordt deze ontslagvergunning verleend, dan is de werknemer aangewezen op een procedure wegens kennelijk onredelijke opzegging om een vergoeding te krijgen. Het UWV WERKbedrijf bemoeit zich daar namelijk niet mee.
 
De procedure wegens kennelijk onredelijke opzegging is niet vergelijkbaar met de eerste weg (ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter). Ook de vergoeding die wordt toegekend, verschilt in beginsel van de vergoeding bij ontbindingen. De laatste jaren zijn de vergoedingen echter steeds meer op elkaar gaan lijken.
 
De Hoge Raad bleek ‘not amused’ te zijn met deze praktijken en heeft hier vooralsnog een einde aan gemaakt. Eerst – en dat is gunstig nieuws voor werkgevers – is uitgemaakt dat het niet vanzelfsprekend is dat een werkgever een ontslagvergoeding moet betalen. Als de ontslagprocedure via het UWV WERKbedrijf wordt gevolgd, dan heeft een werknemer dus niet automatisch recht op een vergoeding. Het tegendeel is het geval. Er moet volgens de Hoge Raad niet al te snel vanuit worden gegaan dat een ontslagvergoeding moet worden betaald. De vele werkgevers die gedwongen door bedrijfseconomische omstandigheden naar het UWV WERKbedrijf zijn gegaan met ontslagaanvragen, kunnen wat dat betreft rustig ademhalen.
 
In de arbeidsrechtelijke literatuur is veel gefilosofeerd over de mogelijkheden. Het was nu immers zo dat in de ene procedure wel makkelijk aanspraak gemaakt kon worden op een vergoeding en in de andere procedure niet. Om die reden werd wel geprobeerd de voor de werknemer meer gunstige procedure te volgen, door een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te dienen, terwijl de procedure bij het UWV WERKbedrijf al liep. De meningen van de kantonrechters hierover waren verdeeld, maar er waren zeker kantonrechters die van mening waren dat de werknemer op deze manier alsnog aanspraak kon maken op een kantonrechtersformule. De Hoge Raad heeft laten weten ook hier weinig voor te voelen en deze weg min of meer afgesneden.
 
Het gevolg van dit alles is dat het minder vanzelfsprekend is dat een ontslagvergoeding hoeft te worden betaald. In het arbeidsrecht zijn de laatste jaren meer uitspraken door de Hoge Raad gedaan die erop wijzen dat men meer werkgeversvriendelijk gezind is. Dit heeft overigens niet zozeer met de bedrijfseconomische omstandigheden te maken. Ook toen de economische situatie florissanter was, bleek het hoogste rechtscollege meer werkgeversgezind. De tijd dat werknemers ten koste van alles werden beschermd, lijkt daarmee voorbij.
 
Dit past wat mij betreft ook goed in het jaar 2010. Daarbij is het zo dat de wet op de arbeidsovereenkomst tot stand is komen in 1907, een tijd waarin arbeiders bij lange na niet zo mondig en onafhankelijk waren als nu het geval is. De bescherming die lang aan werknemers werd gegeven, past niet meer bij de huidige samenleving. Het verminderen van de kosten van ontslag kan bovendien de economie ten goede komen, omdat het ontslagrecht flexibeler wordt. Dat pogingen het ontslagrecht te wijzigen al decennia lang stranden (ter illustratie, er geldt nog steeds een noodverordening uit 1945 die toch echt als tijdelijk was bedoeld), wordt daarmee iets minder kwalijk.